Mijn dagelijkse ronde

Wat moet ik hier nog?

Tijdens mijn dagelijkse ronde in het verzorgingshuis/verpleeghuis valt mij op dat hetzelfde thema steeds weer boven komt. Weliswaar in andere woorden en in een andere context, maar steeds dit zelfde thema…
“Afgelopen week had ik een TIA. Ik kon niet meer praten. De zuster zei dat ik er wel in had kunnen blijven als het ernstiger was. Dat had me niks kunnen schelen. Ik wil wel dood, wat moet ik hier nog?”
“Ik voel me hier niet thuis. ‘Ze’ hebben wat spullen van mij uitgezocht en hier neergezet. En mij erbij.” 

(Tijdens dit gesprek hoor ik de verzorging op de gang luid met elkaar praten, lachen, overleggen. Het stoort de sfeer van de kamer.)

Kwetsbaar en diepgaand moment

“De laatste tijd moet ik steeds meer aan mijn ouders denken. Gek he?” Mevrouw heeft de tranen in de ogen staan.
Zij vertelt hoe ze zijn overleden, hun leeftijd. Jong, veel jonger dan zij nu is. Ze mist ze zo. Voorzichtig probeer ik in te gaan op haar woorden, te voelen wat het is dat zij uitdrukt met deze zin. Ik probeer aan te sluiten: “Kan het zijn dat u behoefte hebt aan die ouderlijke liefde, dat u graag geborgen wilt zijn? Misschien mist u dat?”
Mevrouw is geraakt en wil antwoorden, het voelt als een heel kwetsbaar en diepgaand moment.
Op dat moment horen we een klop op de deur en meteen wordt deze geopend: “Wilt u koffie, mevrouw? O, Emmy ben jij hier, ik doe alleen even kort de afwas en dan ga ik wel weer..” Ik kijk naar mevrouw. Ik zie dat zij zichzelf hernomen heeft. Ze is weer gepantserd. Ik zie het letterlijk gebeuren. Haar houding veranderd, ze heeft haar ‘naar buiten’ gezicht weer op.
Het heeft geen zin om nu te proberen ons contact te herstellen naar wat er gaande was.
Zij is helemaal gericht op de zuster die haar koffie brengt, “Suiker, - Emmy ook een kopje - , zo, dat is weer gebeurd. Fijne dag…”

Haar verhaal

We keren terug naar onze stilte. Deze vrouw, die tijdens onze eerste bezoeken zo gereserveerd was en weinig ingang bood, (zodat ik wel eens overwoog of ze het wel helemaal meekreeg) die wel elke keer zei: “Kom je nog een keertje weer?”
Die gaandeweg ontdooide en nu pas, na meerdere contacten, met haar verhaal kwam.
“Ik mis mijn zuster zo. We waren twee handen op één buik, we deden alles samen. Ze is pas afgelopen juli overleden.” Ik antwoord met: “Ik weet het, ik kwam toen de dag daarna bij u op bezoek. U was zo verdrietig.” Ze kijkt me aan: “O, ja?” Aarzelend: “Dat weet ik niet meer.”
In die tijd was ik nog een onbekende voor haar. Ik liet weinig herinnering achter. Langzamerhand ben ik in haar bestaan doorgedrongen, ze ziet me regelmatig, ook bij groepsbijeenkomsten. Nu pas ben ik iets vertrouwds geworden. Nu kunnen we echt contact maken dat ook betekenis voor haar heeft.

Gehoord zijn

Als ik probeer het gesprek te sturen naar: ‘wat zou kunnen helpen dat u zich meer thuis voelt’ kom ik nergens uit. Zij wil niet denken over oplossingen. Zij wil gehoord zijn. Zij wil er even gewoon zijn…samen met iemand die haar hoort.
“Ik vind het zo fijn dat u komt. Komt u nog eens weer?” En ik hoor tussen de regels door: Ik voel me zo alleen, laat me niet te lang alleen. Gek he, dat hoor ik die dag zo vaak.
Mooi beroep, geestelijk verzorger.